Woldenaren

Mevrouw Gilissen-Vrancken

Haar ouders

De ouderlijke boerderij aan de Winterslag

Spel in haar kindertijd

De bewaarschool

De lagere school

De rooms-katholieke kerk

Na school en nog voor haar huwelijk

Haar leven met Leo

De kinderen van Lies en Leo

De gezondheid van Leo

Een kranige vrouw

 

In 2009 en 2010 voerden Christina de Jong en Annelies Sturm enkele gesprekken met de toen 93-jarige mevrouw Gilissen, wonend aan de Tongerseweg 325. Tijdens deze gesprekken, zorgde dochter Marloe voor koffie en gebak. Ook hielp zij om de vragen die de interviewsters stelden – moeder was een beetje doof -, zo te formuleren, dat ze die goed kon verstaan.

 

Mevrouw Gilissen stierf 26 januari 2015, 97 jaar oud. Ze werd begraven op het kerkhof van Wolder.

bidprentje mevrouw Gilissen

 

In het onderstaand verslag kunt u lezen hoe bijzonder deze vrouw was. Het geeft ook een inkijk in het leven van Wolderse families in de periode vanaf de Eerste Wereldoorlog tot aan het begin van onze eeuw.

 

Haar ouders

 

Ouders Vrancken - Nelissen

Ouders Vrancken-Nelissen

 

              Elisabeth Josephine (Lies) Gilissen-Vrancken is geboren in Oud-Vroenhoven op 16 maart 1917, als zesde kind van Jacobus Josephus Vrancken (1881-1952) en Maria Lucia Nelissen (1885-1970). Ze kwam ter wereld in de ouderlijke boerderij aan de Winterslag nummer 39 (voorheen  nummer 9), de voormalige Kerksteeg(h). Haar ouders woonden tot omstreeks 1912 aan de Tongerseweg 325. Daar stond ook de wieg van de eerste twee kinderen uit het gezin.

Meisjes Vrancken

Meisjes Vrancken voor het huis aan de Winterslag

(van voor naar achter):

Nellie, Bertha, Jeannette, Lies, Jès en Marie (jaartal...?)

              Na Lies worden er nog acht kinderen geboren, waaronder twee levenloos, en bijgevolg, zoals toen de gewoonte was, naamloos. Onder het kerkelijke motto van destijds ‘gaat heen en vermenigvuldigt u’ een niet ongewoon kindertal voor die tijd. Ze neemt aan dat er niet zoveel gekomen zouden zijn als het goed tot haar vader was doorgedrongen dat het krijgen van zoveel kinderen fysiek zwaar moet zijn geweest voor zijn vrouw, maar daar werd niet over gesproken. "Hij hield heel veel van moeder. Dat heeft hij ooit ook nog eens duidelijk tegen zijn zonen gezegd toen ze op het veld waren: Ik hou heel veel van moeder". En verder speelde het geloof een belangrijke rol. Als haar ouders ervan overtuigd geweest waren dat het geen zonde was om aan geboortebeperking te doen, zouden ze vast niet zoveel kinderen gekregen hebben. Moeder moet wel een sterke vrouw geweest zijn, want ze is 85 jaar geworden.

              Ondanks de armoede en het harde werken was het een gelukkig gezin. Moeder was altijd opgewekt en vader had opvallend veel plezier in zijn leven, hij maakte veel grapjes. “Het was gezellig thuis,” stelt Lies vast, en het doet haar zichtbaar genoegen om daar iets over te kunnen vertellen.

 Naar boven

 

De ouderlijke boerderij aan de Winterslag

 

              Lies groeit op aan de Winterslag en daar worden ook de kinderen geboren die na haar komen. De boerderij van de familie Vrancken-Nelissen lag tegenover de boerderij ‘Daelhof’, waar tot voor kort de familie Hameleers woonde, en destijds de familie Paulissen. In die tijd stonden daar meerdere boerderijen en er woonden veel kinderen aan deze voormalige oude weg van Wolder naar Maastricht. Zij herinnert zich dat naast de twaalf kinderen uit hun gezin, de familie Meertens daar woonde op nummer 7 met elf kinderen, de familie Paulissen met twee kinderen op nummer 5, de weduwe Vrijens op nummer 3 met zes, en de familie Nicolaes en de familie Willems met drie of vier kinderen. ¹)

Winterslag

Winterslag

              De boerderij waar Lies opgegroeid is, werd door de leden van het gezin wel eens gekscherend ‘Hoeve Zeldenrust’ genoemd, omdat er zo hard gewerkt werd. Als je zelden rust, krijg je soms kloven in je handen. Als dat het geval was, dan werd er pek vloeibaar gemaakt in de vlam van een kaars en in die kloven gedaan en dan was het over, stelt Lies optimistisch vast.

              Het dagelijks leven kende een grote regelmaat. De volwassenen stonden vroeg op. Om zes uur ontbeten ze met koffie en boterhammen met boter en appelstroop. Om negen uur weer koffie met een boterham. Om twaalf uur werd er warm gegeten: meestal stamppot van uien, kool, wortelen, appels of prei, met gekookt spek. Om vier uur weer een boterham met koffie. Om zeven uur werd de rozenkrans gebeden en daarna werd broodpap gegeten: melk met wittebrood. Op donderdag, de dag dat er gekarnd werd, aten ze geen broodpap maar karnemelkse pap.

Binnenplaats boerderij Vrancken Winterslag

Cour met 'messem' (binnenplaats met mesthoop) van boerderij Vrancken aan de Winterslag

              De zondag was een heel speciale dag. Dan was er pudding na: vanille- of chocoladepudding. Op zondag werd de melk niet opgehaald en dan haalden ze de room er wel eens af; daar werd dan slagroompudding van gemaakt. Op zondag was er ook soep, ‘vleessoep’: bouillon van rundvlees met vermicelli. Op die dag rookte vader een sigaartje, maar door de week nooit. Ze waren thuis geen kaarters en geen drinkers en vader ging niet naar het café.

              Als ze naar school gingen, dan kregen de kinderen iets van snoep mee uit een zakje van de markt. Maar als dat zakje leeg was, dan was het snoepen gedaan.

              Brood bakte je zelf, met zuurdesem. Vlaaien daarentegen werden met gist gebakken. Als er brood gebakken moest worden, werd het meel en toebehoren in een grote trog gedaan, waarop moeder tegen zoon Chris zei: “Chris, was je voeten!” Het deeg werd dus niet met de hand, maar, trappelend en lopend, met de voeten gekneed.

              Al was het gezin bijna zelfvoorzienend, er werden natuurlijk ook etenswaren gekocht. Zo gingen ze wel eens boodschappen doen ‘bij Betje’ op de Tongerseweg, na het Daelhofpad rechts, vlakbij bakker Thijssen. Om in de winkel van Betje te komen moest je twee of drie treden op. En het rundvlees werd gehaald bij slager Renkens in de Koestraat.

 

Achterzijde boerderij Vrancken Winterslag

Achterzijde boederij Vrancken Winterslag

 

Naar boven

  

Spel in haar kindertijd

 

              ’s Winters maakten ze met z’n allen ter hoogte van het Daelhofpad een glijbaan van wel 32 meter lang. Veel mensen kwamen kijken hoe ze over die roetsjbaan ‘sjievelde’ en die belangstelling vonden de kinderen geweldig.

              Wat ze verder nog deden? Touwtje springen, hinkelen en ‘kókkerelle: met een klein tolletje op een gladde vloer. En ‘kaatsele’, met gummiballen. Haar twee jaar oudere zus Jes kon kaatsen met drie ballen, maar Lies is nooit verder gekomen dan twee. Er bestonden trouwens ook stoffen ballen, gevuld met ‘pluis’. Ook knikkeren was in de mode: ‘huivetikke’, met een kuiltje. En ‘reipe’, hoepelen  met een stok. Dit soort spelletjes vond ze leuk om te doen, maar er was meestal weinig tijd voor, want het werk ging voor.

              Ze weet nog dat ze een keer gevallen is met de fiets, toen ze melk weg moest brengen. Daarbij kwam ze in het prikkeldraad terecht. Ze neemt aan dat ze toen ongeveer 14 jaar was en voor het eerst op de fiets reed die bestemd was voor alle meisjes uit het gezin. Er was een fiets voor de jongens en een voor de meisjes. Van een eigen fiets was geen sprake; alleen rijkeluiskinderen hadden een eigen fiets.

 Naar boven

 

De bewaarschool

 

              De bewaarschool in Wolder bevond zich toen in het klooster van de zusters. Op de begane grond, rechts van de ingang, was een aparte ruimte als klaslokaal ingericht. Die school was precies wat de naam aangeeft: een bewaarschool. Aanvankelijk dreef zuster Maria, die uit Heughem kwam, de school in haar eentje, later kwam zuster Rosa erbij. Ze kregen daar geen cent voor. De zusters moesten financieel gesteund worden door de inwoners van Wolder, anders hadden ze geen bestaansmogelijkheid.

              Op je eerste schooldag werd je niet door een van je ouders gebracht, zoals tegenwoordig gebruikelijk is, maar je ging gewoon te voet met de andere kinderen mee. Lies bewaart hieraan geen speciale herinnering. De schooldag duurde van kwart voor negen tot half vier. Een vrije woensdagmiddag was er niet bij, wel hadden ze de hele zaterdag vrij.

              Voor zover Lies zich herinnert, zaten er ongeveer tachtig kinderen in één lokaal: jongens en meisjes tussen vier en zeven jaar oud. De kinderen die zich aan het voorbereiden waren op de lagere school, hadden een streepje voor; zij mochten in de nieuwe banken zitten.

              De activiteiten van de kinderen bestonden uit plakken, pluizen, zingen, luisteren en… slapen. De kleintjes moesten zittend slapen, met het hoofd op de armen, of ze moesten ‘pluizen’ als de zuster met de oudere kinderen bezig was. Bij dat ‘pluizen’ werden stukjes stof uit elkaar gehaald. Die pluisjes werden door de zusters gebruikt als vulling van speldenkussens. Lies weet nog goed dat een jongetje dat altijd erg druk was, een koekje kreeg omdat hij in slaap gevallen was. Dat was een beloning voor zijn goede voorbeeld. Door de zusters werden ook verhalen voorgelezen.

              Als er gezongen werd, mochten alle kinderen meedoen. Meestal waren het religieuze liedjes. Lies weet zich nog een liedje uit die tijd te herinneren. Zonder te haperen zingt ze hardop:

 

Onze Lieve Vrouwke is zo schoon

in den hemel in den hemel

Onze Lieve Vrouwke is zo schoon.

in den hemel op haar troon

 

Laat ons zingen elke dag

koningin van het heelal

Wees gegroet Maria

 

              Zuster Maria, die een apart kamertje tot haar beschikking had, gaf eerste hulp als er een kindje gewond was. Zij verbond de gekwetste vingertjes en knietjes met verband dat van oude hemden en broeken gemaakt was. De meeste mensen hadden weinig en er ging niks verloren.

 Naar boven

 

De lagere school

 

              Toen Lies zes jaar oud was, ging ze naar de katholieke meisjesschool op de Tongerseweg. Ze ging niet graag naar school, want ze hield niet van leren. Spelen was veel leuker en gemakkelijker, vond ze. Ook breien vond ze niet leuk. Je moest al gauw een heel stuk uittrekken als je één steek had laten vallen. Later is ze breien, en ook weven, juist heel leuk gaan vinden. Maar dat was pas veel later, toen ze, samen met haar man, schapen hield op hun boerderij, en ze de wol ook zelf waste, twijnde en verfde. En zelfs met het schapen scheren, wat door de mannen in de familie gedaan werd, hielp ze mee.

              Op school schreven ze met een griffel op een lei, of met potlood op losse blaadjes. Ze hadden geen schriften. In de zesde klas schreef je met een kroontjespen met inkt. De inktlap maakte je zelf, van lapjes stof die samengehouden werden met een knoop.

              Als de oudere kinderen klaar waren met hun opdracht, moesten ze de jongere kinderen helpen. Er waren drie leerkrachten voor zeven klassen: één non, soeur Thérèse, en twee juffrouwen, juffrouw (Carolina) Claessen en juffrouw Bruls. Omdat juffrouw Claessen nogal lang was droeg ze de bijnaam ‘De Lang van Claessen’. Van juffrouw Bruls kon je een slag met haar ring tegen je hoofd verwachten als je iets verkeerd deed. Juffrouw Bruls werd ook wel ‘De Geel’ genoemd.

              Na zeven klassen doorlopen te hebben, is Lies op haar veertiende jaar van school gegaan.

 Naar boven

 

De rooms-katholieke kerk

 

              Godsdienst speelde een grote rol in haar leven. Elke ochtend woonde ze de mis bij, op zondagmiddag ging ze ook naar het lof en elke zaterdag ging ze biechten. Een week ging vlug voorbij, en ze wist vaak niet wat ze moest biechten. In de Mariamaanden mei en oktober ging ze dagelijks twee keer per dag naar de kerk, want dan was er niet alleen ’s ochtends een heilige mis, maar ’s avonds ook nog lof of de rozenkrans.

              Eén keer per jaar trok de processie uit: vanaf de kerk in Wolder de Tongerseweg af, bij de Philipsfabriek rechtsaf naar de Cannerweg en via Biesland weer terug. De toeschouwers stonden drie tot vier rijen dik. Bij de bocht aan de Philipsfabriek beval pastoor Haesen: “Hel beien!” (Hard bidden!), want daar stonden mensen van Blauwdorp. Die ‘flauwe katholieken van Blauwdorp’ diende je een voorbeeld te geven door er duidelijk voor uit te komen dat je katholiek was.

              Op zevenjarige leeftijd mocht je je eerste communie doen. Lies weet nog dat de buurvrouw d’r haar ingedraaid had met suikerwater en papiertjes, zodat het wat krulde. En dat meester Bovy bij de laatste instructies haar hoofd vast hield en ze toen dacht: “Oh, mijn krullen!” Het ‘kupke’ moest goed achterover hellen om de hostie op de uitgestoken tong te kunnen ontvangen. Ze had het korte witte kleedje aan, waarin alle meisjes uit het gezin bij die gelegenheid gekleed werden.

              Na de plechtigheid in de kerk werd er thuis feest gevierd. Er was botervlaai, bereid met goede boter, met ‘grummele’ en spijs van appelmoes, en ook rijstevlaai. Nonk Sjang, haar peter, en tante Bet, haar meter, kwamen op bezoek. Een andere tante, tante Net, die in Maastricht woonde, kwam ook en die nam zelfs een cadeautje voor haar mee. Dat was ‘stads’, een cadeautje geven, dat was eigenlijk geen gewoonte in Wolder. Maar tante Net ging uit koken en had zelf geen kinderen ; zij en haar man konden zich iets extra’s permitteren. Lies kreeg toen twee gummiballen in een netje, waar ze heel blij mee was en waar ze goed mee heeft leren kaatsen.

 Naar boven

 

Na school en nog voor haar huwelijk

 

              Vanaf haar twaalfde jaar is Elisabeth ‘het melkmeisje’ in het gezin. Ze bezorgt dagelijks te voet de melk aan huis bij 42 gezinnen in Wolder. Op sommige adressen zelfs twee keer per dag; op zondag echter altijd maar één keer. Om de melk te vervoeren gebruikte ze emaillen kannen, drie in elke hand. In elke kan zat de melk die de klant nodig had. Aan de deur werd de melk uit de kan in ‘de ketel’, de pan dus, van de klant overgegoten. De melk kostte tien cent per liter, een prijs die later zelfs nog naar negen cent is gedaald.

              Eén keer per week kreeg ze bij een bepaalde meneer tien cent fooi. Toen de melk afgeslagen was naar negen cent, durfde ze de deur bijna niet open te doen, maar er lagen toch twee dubbeltjes voor haar gereed, en ook nog twee cent fooi!

               Zondagsmiddags ging ze voor 21 cent snoep kopen bij de kruidenierswinkel van Nel van Tijs op de Tongerseweg, nummer 380 (?). Iets meer dan de helft van het snoep mocht ze zelf houden, aangezien zij het meeste had ingebracht. Er waren toffees bij met een lot erin, voor één cent per stuk. Als je prijs had, dan kreeg je een noga.

              Aanvankelijk leverden ze melk van hun eigen koeien. Moeder molk de zes koeien, geassisteerd door een van de oudere kinderen. Vader zorgde voor het paard en de tweelingzus van moeder, die bij hen inwoonde, had de zorg voor de varkens. Later, toen de melk via de melkerij op de Tongerseweg (waarsch. op nr.21-23 ?) geleverd werd en nog weer later via de melkfabriek op de Statensingel, deed ze nog maar één keer per dag haar ronde.

              Dit werk zal Lies tot aan haar huwelijk blijven doen. Daarna neemt haar oudere broer het over: Chris, Christiaan, die op de Oude Wolderweg heeft gewoond (momenteel Latourlaan). Hij zal nog vele jaren met paard en kar de melk aan huis brengen in Wolder.

 

              Al jong was ze trots en fier en stond rechtvaardigheid hoog in haar vaandel. Dat blijkt ook uit een verhaal dat speelt tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen zij dus een jonge vrouw was. In die tijd waren de boeren door de Duitse bezetters verplicht gesteld om de vette melk in te leveren als bijvoeding voor moeders die hun pasgeboren baby borstvoeding gaven. Op een dag stond een vooraanstaande inwoner van Wolder haar met zijn fiets aan de hand op te wachten toen ze op weg was naar de melkfabriek ²). Hij vroeg haar de niet-afgeroomde melk tegen betaling aan hem af te staan voor zijn vrouw die met haar pasgeboren zoontje in het ziekenhuis lag. Ofschoon die man een autoriteit was in het dorp, luidde haar antwoord nee “omdat alle schaapjes over dezelfde kam geschoren dienen te worden”.

              Jonge vrouwen werden kort gehouden in Wolder. Als om half zeven de ‘Engel des Heren’ (het angelus) luidde, dan moesten ze binnen zijn. Er werd je maar weinig gelegenheid geboden voor avontuur.

 

Gezin Vrancken

Gezin Vrancken. Lies derde van links bovenste rij

 Naar boven

 

Haar leven met Leo

 

              Precies veertien jaar nadat ze hem als meisje van veertien voor het eerst had gezien op de boerderij van haar ouders, trouwt ze op 8 mei 1946 in Wolder met de toen zevenendertigjarige vrijgezel Leonardus Josephus (Leo) Gilissen. Hij is de jongste zoon van Petrus Josephus Gilissen en Isabella Maria Mares, net als Lies, geboren in Wolder, en wel op 3 maart 1909. De familie Gilissen heeft gedurende verschillende generaties tot ‘de gegoede landbouwers’ van Wolder behoord. Lies ziet nog voor zich hoe Leo het erf op kwam met twee zeugen voor een ontmoeting met de beer van haar vader. Het was toen dat de eerste veelbelovende blikken werden gewisseld. Maar Leo had serieus verkering met een meisje uit Kesselt. Op een gegeven moment – en ook dat herinnert ze zich nog als de dag van gisteren – kwam haar oudste zus Jes (Agnes) thuis met de mededeling dat de verkering van Leo uit was. Niet lang daarna passeerde ze, al dan niet toevallig, de boerderij waar Leo woonde aan de Tongerseweg, nummer 408. Hij zag haar en wenkte. "Het is uit en nu?" "Wat en nu"? gaf ze als antwoord. "Wil jij met mij trouwen?" Leo was haar blijkbaar niet vergeten.

Tongerseweg 408

Tongerseweg 408

              Aangezien het nogal eens voorkwam dat grote boeren arme meisjes voor de gek hielden, hield ze het aanzoek even in beraad; zij wilde eigenlijk geen ‘grote’. Maar hij hield aan. Om zeker te zijn van haar zaak vroeg ze kapelaan Boymans om raad. Hij adviseerde haar om een half jaar bedenktijd te nemen. Dat advies hebben ze opgevolgd. Ze spraken af om een half jaar niet met elkaar om te gaan en elkaar na die tijd in de Onze Lieve Vrouwebasiliek te ontmoeten. Bij die ontmoeting heeft ze “Ja” gezegd tegen Leo. Juffrouw Claessen had in de gaten hoe de vork in de steel zat en had al tegen de wachtende Leo gezegd: “Jij krijgt een goed meisje”.

              Jeanette, die drie jaar jonger was dan Lies, had al langer verkering en vandaar dat zij toestemming kreeg van haar ouders om eerder te trouwen dan Lies. Want een bruiloft kost geld en je had, in en vlak na de oorlog, niet alleen geld, maar ook bonnen nodig. Jeanette is in september 1945 getrouwd en Lies acht maanden later.

              Tijdens hun verkering kwam Leo één keer per week bij haar thuis. Meestal gingen ze dan samen wandelen ‘op den Kattenberg’ (de huidige wijk Campagne). Leo bleek een rustige, eerlijke man met een zacht karakter; een heel betrouwbaar mens.

              In die tijd was het bijna vanzelfsprekend dat ze na hun huwelijk hun intrek namen in de ouderlijke boerderij van Leo, aangezien hij, een boer in hart en nieren, voorbestemd was om de boerderij over te nemen. Maar eerst gaan ze op huwelijksreis, met het vliegtuig. Een ware gebeurtenis voor die tijd. Ze vliegen met een heel klein toestel, met plaats voor twaalf passagiers, van Beek naar Schiphol, dat in die tijd nog een betrekkelijk klein vliegveld was. Ze bezoeken Artis in Amsterdam en beklimmen de Dom in Utrecht. De enkele door Lies zelf gemaakte foto’s uit die tijd laten twee gelukkige mensen zien. “Tijdens die reis waren we zo heerlijk vrij samen,” vertelt Lies, “maar daarna woonden we in en dan ben je niet vrij meer.” Door haar man en haar schoonvader heeft ze zich altijd volledig geaccepteerd en gewaardeerd gevoeld, maar de moeder van Leo had duidelijk liever een andere schoondochter gehad, ‘een grote’.

 

              Tijdens hun afwezigheid zou de woning gesplitst worden. Het rechtergedeelte zou voortaan bewoond worden door pa en ma Gilissen en Leo en Lies zouden hun intrek nemen in het linker gedeelte. Maar toen ze van hun huwelijksreis thuis kwamen, bleek de deur tussen de beide gedeelten nog open te zijn. Dat was tegen de afspraak.

              Het gebrek aan vrijheid en privacy heeft altijd zwaar gewogen voor mevrouw Gilissen. “Introuwen moest verboden worden,” zegt ze ferm. Maar ondanks dat probleem heeft ze haar schoonouders tot hun dood toe verzorgd. In 1956 stierf  (o)ma Gilissen en in 1957 stierf (o)pa.

              Naast haar zorg voor de kinderen en verder huishoudelijk werk, had ze ook een aantal taken op de boerderij, zoals koeien melken, varkens voeren en de moestuin verzorgen. Ook weckte ze voor de winter groenten en fruit. Als er in november een varken geslacht werd, dan verzorgde de huisslachter het eerste deel, maar voor de verdere verwerking van het vlees droeg zij de verantwoording.

              Leo was lid van verschillende verenigingen. Zo was hij lid van de Jonge Boeren van Wolder. Ze maakten leuke uitstapjes en gingen op excursie of op retraite. Ook was hij lid van de Groenen. Hij speelde klarinet en is later ook bestuurslid geworden.

jonge boeren Wolder  Jonge boeren met Bovy op excursie

      Excursies jonge boeren van Wolder

Foto links: Leo bovenin midden                    Foto rechts: met meester Bovy (uiterst links)

                                                                                  bij proefveld. Leo tweede links, bovenste rij

 

Naar boven 

De kinderen van Lies en Leo

 

              Lies en Leo krijgen vijf kinderen. Hun oudste kind, Pierre, wordt in 1947 geboren, Jacobus in 1948 en Willie in 1949. Aanvankelijk ging alles goed. Ze groeiden gezond op. Maar op 19 februari 1950, toevallig net carnavalszondag, sloeg het noodlot toe. Na de mis had ze, zoals gewoonlijk, eerst voor het eten voor de volwassenen gezorgd en daarna wilde ze de baby de fles geven. Ze had Willie, de jongste van haar drie zonen, met de kinderwagen in het vroege voorjaarszonnetje gezet. Af en toe ging ze eens kijken of hij al wakker was, maar Willie lag lekker te slapen. Hij lag bijna altijd op zijn buikje. Toen ze de kinderwagen naar binnen wilde rijden en het dekentje terugsloeg, zag ze dat de hielen van haar kindje blauw waren. Ze schrok enorm, pakte hem op en holde met hem naar de buren, de zusters van het klooster. Ze liet het kindje onder hun hoede achter en rende gauw door naar de kapel. Maar Willie was al overleden. In die tijd kwam wiegendood nogal eens voor.

              “Zuster Maria heeft ons kindje thuis gebracht en we hebben hem in de goeie kamer op de tafel opgebaard,” vertelt Lies. “Ik heb er nog een foto van gemaakt.” Volgens de overlijdensakte is Willie om 13.00 uur overleden.

              Lies heeft ook nog een miskraam gehad van een tweeling. Ze ziet die piepkleine kindjes nog voor zich, hoe de een de handjes boven het hoofdje en de ander de handjes voor de borst hield. “Zo gaat het in het leven,” verzucht ze. Ze hebben de kindjes in een sigarenkistje gelegd en begraven.

Later worden nog twee gezonde dochters geboren: Marloe in1954 en Isabella in 1956. Marloe is deel van een tweeling, maar het andere kindje, ook een meisje, was al voor de geboorte overleden.

 

Naar boven

 

De gezondheid van Leo

 

              In de droge zomer van 1959 slaat het noodlot opnieuw toe. Leo valt van de hooimijt. Het heeft flink geregend en de natte schoven zijn glad. Hij heeft een wervel gebroken. Tijdens het ingipsen in het ziekenhuis Annadal krijgt hij tot overmaat van ramp ook nog een hersenbloeding. Hij is er heel ernstig aan toe. Alhoewel een fijne en vakkundig masseur hem gelukkig weer aan het lopen heeft gekregen, is hij nooit meer de oude geworden.

              Leo had een enorme wil en een groot doorzettingsvermogen, maar hij heeft nooit meer kunnen werken. In eerste instantie heeft Lies geprobeerd om, met hulp van familie en knechten, het boerenbedrijf voort te zetten, maar dat is niet gelukt. Ze hebben toen besloten de stallen om te laten bouwen tot stalling voor auto’s en caravans. Ze hebben nog altijd wat kleinere dieren gehouden, zoals schapen en konijnen, zodat Leo toch nog een beetje boer kon zijn. Hij heeft trouwens nooit over zijn beperkingen gemopperd of geklaagd, ze hebben het samen gedragen. “Liefde kan veel, hè?” horen we haar zeggen, wat meer als een vaststelling klinkt dan als een vraag.

              Als de kinderen de deur uit zijn, hebben ze het erover om kleiner te gaan wonen. In 1984 verhuizen ze naar de Tongerseweg 325, het voormalige café annex woonhuis op de hoek met de Pletzersstraat waar haar vader op 13 oktober 1851 geboren is. Leo heeft er nog zeven jaar gewoond, voordat hij op 20 februari 1991 overlijdt. En Lies, die 73 jaar was toen ze weduwe werd en inmiddels, in 2010, alweer 93 jaar oud is, woont daar nog steeds.

Tongerseweg 325

 Tongerseweg 325

 

 

Naar boven

Een kranige vrouw

 

              Lies is geen type om stil te gaan zitten. Tot omstreeks 2003 bezoekt ze zoveel mogelijk eenzame mensen en zieken en gaat ze regelmatig naar begrafenissen waar weinig mensen naartoe gaan. Ze is een gelovige en dankbare vrouw. Alhoewel haar hoge leeftijd haar minder mobiel heeft gemaakt, gaat ze nog 2 à 3 keer per week naar de kerk. Als er een mis is, dan probeert ze te gaan. Haar dagen vult ze nu voornamelijk met lezen. Wekelijks gaat ze met haar dochter Marloe naar de bibliotheek. En ze houdt, net als haar vader, van een grapje, wat een gesprek met haar heel plezierig maakt.

 

mevrouw Gilissen uitstapje boerenbond

 Uitstapje met Boerinnenbond (?).

Lies uiterst rechts. Rond 1980.

 

Harmomie Petrus en Paulus 1953

 Harmonie Petrus en Paulus ("de Greune"). Leo Gilissen, tweede rij, derde van rechts

(foto is gemaakt in1953, op de trappen van het klooster/juvenaat van de 'Broeders' bij 75-jarig bestaan harmonie)

 

Voetnoten:

_____________________________________________________________________

 

¹) Bewoners Winterslag: Nr. 1: J.W. Willems en W.P.L. Stevens, nr. 3: Wed. P.H. Vrijens 

   en C.C. Castermans , nr. 5:  J.H. Paulissen, nr. 7:  J.J. Meertens, nr. 9:  J.J. Vrancken, nr.

   2: Th. Sijmons (volgens Adresboek van Maastricht 1931: H.A. Willems, nr. 4:  Wed. M.

   Prick en nr. 6: Wed. C.H. Paulissen. (Bron: adresboek van Maastricht 1938)

 

²) De Maastrichtsche Cooperatieve Melkinrichting was gehuisvest aan de

   Tongerscheweg 21-23

Naar boven